Selectie

Basisgezondheid?
Mijn duiven krijgen geen antibiotica, de mensen van wie ik duiven betrek zijn daar dus ook niet scheutig mee. Beerda en Waterlander stonden er om bekend dat ze het helemaal zonder deden, dat is een ingekweekte eigenschap die ik wil vasthouden. Preventief werken is dan wel belangrijk, want sluimerende besmettingen en uitbraken verpesten het vliegseizoen, zeker op de marathonvluchten. BIj het zo natuurlijk mogelijk houden van duiven hoort daarom vrij uitvliegen, regelmatig groenvoer, gekiemd voer en zeewiergrit. Verder ent ik de duiven tegen paramyxo en paratyfus.

Selectiecriteria vanaf geboorte
De eerste norm ligt bij het zorgvuldig opfokken van jonge duiven. Niet alles wat uit het ei kruipt heeft het in zich  om een goede postduif te worden.

Daarom een aantal criteria voor selectie:

  • piepers die overduidelijk kleiner zijn in het nest, die niet ‘vettig’ zijn, uit één stuk, met het koppie fier overeind, die hoef je niet te ringen.
  • piepers die teveel piepen, die slechte mest en slechte veren maken, die niet met volle krop liggen, die niet vlot de omgeving verkennen en alert zijn, die hoef je niet te spenen.
  • jonkies die in het jonge duivenhok geen plekje veroveren en daar eigenlijk direct standaard zitten, die zich hun omgeving niet inprenten, die niet nieuwsgierig en alert de wereld inkijken (en dus ook een drinkpot kunnen vinden), die hoef je niet uit te wennen.

Ik wen ze dus pas uit als ze een week of 10 oud zijn en sommige knallen dan direct al met een angstige starre blik het luchtruim in, vaak om nooit weer terug te keren. In de natuur zouden zij elders een nieuwe kolonie stichten of verdwijnen in de maag van een predator, in de duivensport worden het nooit goeie.

Na deze eerste selectierondes is er een koppel jongen in de hokken gekomen (ca 40 van de 60 gekweekten) die ook meekan op natoer -en/of taartvluchten. Ze hebben in deze periode voer, water (soms met een drankje uit de natuurlijke bijproductenhoek), grit en groen gehad en verder niet. Een prikje tegen paramyxo, na de vluchten tegen paratyfus en dan wordt het winter. De latere jonkies komen er gewoon bij (t/m begin oktober) en zullen de hele winter blijven uitvliegen. In het voorjaar volgt het overwennen naar het vlieghok en ik kan ze eindelijk ‘aanvulling’ gaan noemen. In het vlieghok is plaats voor ongeveer 25 koppels nestduiven. Er blijven 10-15 oude duiven over na een vliegseizoen. Als jaarlingen krijgen ze minimaal een knappe ochtendlossing of overnachting, of een tweetal dagfondvluchten als ze bij de laatjes horen. De tweejarigen moeten drie marathons afleggen en zich minstens een keer laten zien om te mogen blijven. Vanaf drie jaar tenslotte krijgen ze ook de klassieker St. Vincent voor de kiezen en in inmiddels is het vizier ook gericht op Barcelona, zodat ook een ZLU-vlucht als Perpignan of Marseille tot de mogelijkheden behoort.

Basisoriëntatie?
Een postduif hoort van nature te weten waar ze woont. Heel kort samengevat betekent dit een ingeprent thuishok, waar een rustplek is en waar ze voer krijgt. Voor een aanvlieger zijn deze twee dingen ook vaak genoeg om niet meer bij je te willen vertrekken. Het is een bekend effect dat duiven ook zelf een ander hok kiezen, omdat het hen aan een thuis ontbreekt. Ik denk dat zeker 10-15% van de jaarlijks gekweekte jongen op die manier verdwijnt. Ik werk dat in de hand door ze pas buiten te laten vliegen als ze al 10-12 weken oud zijn. Dan ontwikkelt zich hun kompas meer en meer, ze kunnen trouwens wel altijd buiten kijken omdat de voorzijde van het hok open is. Sommige jonge duiven gaan bij deze eerste kennismaking met de omgeving gelijk vele uren op de vleugels en komen soms pas na dagen weer terug op hun honk. Bovendien zijn ze vliegvlug waardoor ze niet zo’n gemakkelijke prooi zijn voor roofvogels. Ieder jaar blijkt dat voordeel weer opnieuw.

Meer lezen:
Dave Shewmaker heeft het vaak over het verschuiven van de normaalverdeling oftewel de Bell-curve. Hij pakt duivenkweek net zo aan als fokken van landbouwhuisdieren. Lees deze presentatie maar eens: ShewmakerPresentatie
Waar hij terecht op wijst en wat ook een veelgehoorde uitspraak is in duivenland, is dat op ieder hok goede duiven zitten. Toch is het streven om meer goede duiven te hebben dan gemiddeld en dat kan alleen door de lat hoger te leggen, ofwel de Bell-curve op te schuiven naar rechts. In een recent artikel van Dave Shewmaker legt hij dat nog eens haarfijn uit en daarin valt onderstaande Bell-curve op.
Horizontaal de kwaliteit van de duiven (van links doodgewoon tot rechts wereldklasse) en verticaal de frequentieverdeling (lees spreiding of aantallen). Er zijn heel veel gemiddelde duiven, heel weinig superslechte maar ook heel weinig supergoede postduiven voor jouw specifieke spel. Wil je de gemiddelde kwaliteit verhogen, dan moet je buiten de grote bubbel van ‘same’ zien te komen. Hierbij staat ‘same’ voor dezelfde kwaliteit als die je al hebt. Selecteer je daarbuiten (top 14% goed en 2% super) dan pas ga je echt met sprongen vooruit. Dat is slechts eenzesde jaarlijks overhouden van je vliegers en jongen. Kwekers weer beoordelen op de resultaten van vliegers en jongen (bij jezelf of bij anderen).
Daarbij moeten de duiven wel zoveel mogelijk vergelijkbaar zijn, dus dat pleit voor vaste selectiemomenten. Doordat veel jongen van dezelfde leeftijd zijn en op dezelfde vluchten gespeeld worden kun je al beter selecteren, hetzelfde geldt voor vliegers. Specialisatie maakt gerichtere selectie mogelijk.

Bell2Shewmaker

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s