Selectie

Jaarlijks kweek ik rond de 70 jonge duiven, vooral afkomstig van de 10 koppels in het ‘kweek’hok. Naast wat bonnenkopers en weggevers verdwijnen er ook altijd flink wat door selectie. De overgebleven jongen (35-40) worden vanaf 100-150 kilometer voor het eerst meegegeven met het duivenvervoer om te zien of ze de stempel postduif verdienen. Op gezondheid en vlot thuiskomen worden ze vervolgens beoordeeld en in het begin van het volgende jaar gaan er vaak een 20-25 stuks naar het vlieghok.

In het vlieghok is plaats voor ongeveer 25 koppels nestduiven. Er blijven 10-15 oude duiven over na een vliegseizoen en op den duur zullen ook de prestatieduiven op deze wijze naar het kweekhok verhuizen, zodat daar de ‘stamboomduiven’ kunnen worden vervangen. Als jonge duif vliegen de taartvluchten van de NWV-combinatie of gaan met wat eigen opleer in de winter door naar het nieuwe jaar. Als jaarlingen krijgen ze minimaal een knappe ochtendlossing of overnachting, of een tweetal dagfondvluchten als ze bij de laatjes horen. Via de vereniging speel ik ze in op de programmavluchten, als het programma het niet toelaat wijk ik uit naar andere afdelingen, of andere doordeweekse vluchten. De tweejarigen moeten drie marathons afleggen en zich minstens een keer laten zien om te mogen blijven. Vanaf drie jaar tenslotte krijgen ze ook de klassieker St. Vincent voor de kiezen en in inmiddels is het vizier ook gericht op Barcelona, zodat ook een ZLU-vlucht als Perpignan of Marseille tot de mogelijkheden behoort.

Basisoriëntatie?
Een postduif hoort van nature te weten waar ze woont. Heel kort samengevat betekent dit een ingeprent thuishok, waar een rustplek is en waar ze voer krijgt. Voor een aanvlieger zijn deze twee dingen ook vaak genoeg om niet meer bij je te willen vertrekken. Het is een bekend effect dat duiven ook zelf een ander hok kiezen, omdat het hen aan een thuis ontbreekt. Ik denk dat zeker 10-15% van de jaarlijks gekweekte jongen op die manier verdwijnt. Ik werk dat in de hand door ze pas buiten te laten vliegen als ze al 10-12 weken oud zijn. Dan ontwikkelt zich hun kompas meer en meer, ze kunnen trouwens wel altijd buiten kijken omdat de voorzijde van het hok open is. Sommige jonge duiven gaan bij deze eerste kennismaking met de omgeving gelijk vele uren op de vleugels en komen soms pas na dagen weer terug op hun honk.
Ook worden de jongen niet opgeleerd voor de vluchten.
De eerste vlucht is steeds 100-150 km (Ede, Den Bosch, Boxtel). Het liefst zijn de omstandigheden ongunstig, dus warm, lastige wind.  Het kost jaarlijks een paar jongen die dit niet aankunnen, het zijn er meestal nooit meer dan een handvol.

Basisgezondheid?
Mijn duiven krijgen geen antibiotica, de mensen van wie ik duiven betrek zijn daar dus ook niet scheutig mee. Beerda en Waterlander stonden er om bekend dat ze het helemaal zonder deden, dat is een ingekweekte eigenschap die ik wil vasthouden. Preventief werken is dan wel belangrijk, want sluimerende besmettingen en uitbraken verpesten het vliegseizoen, zeker op de marathonvluchten. BIj het zo natuurlijk mogelijk houden van duiven hoort daarom vrij uitvliegen, regelmatig groenvoer, gekiemd voer en zeewiergrit. Verder ent ik de duiven tegen paramyxo en paratyfus.

Selectiecriteria vanaf geboorte
De eerste norm ligt bij het zorgvuldig opfokken van jonge duiven. Niet alles wat uit het ei kruipt heeft het in zich  om een goede postduif te worden.

Daarom een aantal criteria voor selectie:

  • piepers die overduidelijk kleiner zijn in het nest, die niet ‘vettig’ zijn, uit één stuk, met het
    koppie fier overeind, die hoef je niet te ringen.
  • piepers die teveel piepen, die slechte mest en slechte veren maken, die niet met volle krop liggen, die niet vlot de omgeving verkennen en alert zijn, die hoef je niet te spenen.
  • jonkies die in het jonge duivenhok geen plekje veroveren en daar eigenlijk direct standaard zitten, die zich hun omgeving niet inprenten, die niet nieuwsgierig en alert de wereld inkijken (en dus ook een drinkpot kunnen vinden), die hoef je niet uit te wennen.

Ik wen ze dus pas uit als ze een week of 10 oud zijn en sommige knallen dan direct al met een angstige starre blik het luchtruim in, vaak om nooit weer terug te keren. In de natuur zouden zij elders een nieuwe kolonie stichten of verdwijnen in de maag van een predator, in de duivensport worden het nooit goeie.

Na deze eerste selectierondes is er een koppel jongen in de hokken gekomen (ca 40 van de 70 gekweekten) die ook meekan op natoer -en/of taartvluchten. Ze hebben in deze periode voer, water (soms met een drankje uit de natuurlijke bijproductenhoek), grit en groen gehad en verder niet. Een prikje tegen paramyxo, na de vluchten tegen paratyfus en dan wordt het winter. De latere jonkies komen er gewoon bij (t/m begin oktober) en zullen de hele winter blijven uitvliegen. Overwennen naar het vlieghok en ik kan ze eindelijk ‘aanvulling’ gaan noemen. Wie weet kweek ik in de toekomst alleen nog maar van die latere jonkies, die pas in het volgende kalenderjaar voor het eerst mand zien. Daar zit ik nog wat over te piekeren, momenteel houd ik het dus nog maar even zoals nu.

In 2007 ben ik begonnen met 6 jaarlingen van Jouke Waterlander en eigen kweek jongen.
In 2008 weer eigen kweek jongen, met als aanvulling 10 stuks van Theo Streefkerk, Ameide
In 2009, 10 en 11 hoofdzakelijk eigen kweek, waarbij het kweekhok is versterkt met de gezochte lijnen.
In 2012 en 2013 tekent zich al een aardige lijn af. Van de Jellema-duiven zijn het vooral de Orion & Saffier-nakomelingen die hier ook goed passen. Of een slag dieper in de stamboom, degenen die in de rechte lijn afstammen van Piters vermaarde ’90, zoals de 02 (jarenlang duivin van Zwart Goud) de 936 (kweekmoedertje) of de 502 (Donkere Kweker). Ook in 2014 en 2015 sprongen dezelfde lijnen er uit. Verder probeer ik zo dicht mogelijk uit prestatieduiven, uit lijnen die bewezen hoge vitaliteit en uithoudingsvermogen hebben in te zetten.

Meer lezen:
Dave Shewmaker heeft het vaak over het verschuiven van de normaalverdeling oftewel de Bell-curve. Hij pakt duivenkweek net zo aan als fokken van landbouwhuisdieren. Lees deze presentatie maar eens: ShewmakerPresentatie
Waar hij terecht op wijst en wat ook een veelgehoorde uitspraak is in duivenland, is dat op ieder hok goede duiven zitten. Toch is het streven om meer goede duiven te hebben dan gemiddeld en dat kan alleen door de lat hoger te leggen, ofwel de Bell-curve op te schuiven naar rechts. In een recent artikel van Dave Shewmaker legt hij dat nog eens haarfijn uit en daarin valt onderstaande Bell-curve op.
Horizontaal de kwaliteit van de duiven (van links doodgewoon tot rechts wereldklasse) en verticaal de frequentieverdeling (lees spreiding of aantallen). Er zijn heel veel gemiddelde duiven, heel weinig superslechte maar ook heel weinig supergoede postduiven voor jouw specifieke spel. Wil je de gemiddelde kwaliteit verhogen, dan moet je buiten de grote bubbel van ‘same’ zien te komen. Hierbij staat ‘same’ voor dezelfde kwaliteit als die je al hebt. Selecteer je daarbuiten (top 14% goed en 2% super) dan pas ga je echt met sprongen vooruit. Dat is slechts eenzesde jaarlijks overhouden van je vliegers en jongen. Kwekers weer beoordelen op de resultaten van vliegers en jongen (bij jezelf of bij anderen).
Daarbij moeten de duiven wel zoveel mogelijk vergelijkbaar zijn, dus dat pleit voor vaste selectiemomenten. Doordat veel jongen van dezelfde leeftijd zijn en op dezelfde vluchten gespeeld worden kun je al beter selecteren, hetzelfde geldt voor vliegers. Specialisatie maakt gerichtere selectie mogelijk.

Bell2Shewmaker

Advertenties

2 reacties op “Selectie

  1. Wiebren, je weet dat ik ook mijn duiven zo natuurlijk mogelijk houdt, ik doe zelfs minder entingen dan jij. Je schrijft dat bij de eerste keer los er duiven zijn die weg knallen en verdwijnen om nooit goede in de duivensport te worden. Ik heb zelf te vaak meegemaakt dat jongen kwamen aanvliegen, sommigen jonger met nog dons op hun kop en als die ver weg kwamen, werden dat vaak supers. Zo kwam ik aan de vader van mijn Steek, de beste duif die ik ooit gehad heb. Door omstandigheden niet zuinig genoeg geweest op die vader.

    • Terechte aanvulling. Op eigen hok zal het geen goede meer worden. Elders kan dat natuurlijk wel prima. Piter Beerda kreeg zo de Oude Belg binnen, bleek bij Vanbruane vandaan te komen en een topkweker dat het werd!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s